Sensilube, compleet
Dec 11th, 2005 by Lucasdelinkselul
1. Eenvoudig als de duiven
‘Wees eenvoudig als duiven,’ zei de lispelende evangelist en hij vervolgde: ‘Noach liet de duif wederom uit de ark. En de duif kwam tot hem tegen den avondtijd; en ziet, een afgebroken olijfblad was in haar bek; zo merkte Noach, dat de wateren van boven de aarde gelicht waren. Toen vertoefde hij nog zeven andere dagen; en hij liet de duif uit; maar zij keerde niet meer weder tot hem.’
De melker keek vol verbazing op naar zijn beesten en zag slechts pluis. Voor zover hij wist hadden zijn duiven nog nooit met een olijfblad gevlogen, noch waren zij de boodschappers van God. Ze waren simpelweg stomvervelend. Zouden zij hem kunnen vertellen of het water van de zondvloed gezakt was?
De radio zette hij uit, en daarmee de evangelist, die niet bij hem was. Vol van genade en waarheid was de duivenmelker niet.
De duivenmelker was geen enthousiast man. Middelbare leeftijd met zwartgerookte vingers en tanden, that sums it up. Zijn langzame oogopslag verried twee waterige ogen..
In zijn tuin stond een scheve duiventil, een ark die na wat onderhandelingen met een zwijgzame pandjesbaas zijn troon had gevonden. De planken van de til werden bij elkaar gehouden door een gedeukte gaasconstructie. De duiventil, zo’n negen vierkante meter groot, nam zijn gehele achtertuin in beslag en belette de zon door zijn ramen te schijnen.
De donkerte in zijn woonkamer.
Eigenlijk hield de duivenmelker helemaal niet van duiven, maar dat maakte niet zo heel veel uit. Hij had wat om handen. Officieel was hij nog geen duivenmelker want nog nooit had hij zijn duiven laten vliegen, noch was hij lid van het vaderlandse duivenmelkersgilde. Toen zijn vrouw nog leefde had ze hem aangeraden een hobby te zoeken. Hobby was: het doden van tijd. Het verdoen van tijd met de illusie van het kant-en-klare, het bereiken. Want in elk stuk stof, in elke materie en handeling viel een doel te scheppen.
Zijn vrouw was inmiddels overleden. Redelijk snel, niet onverwacht. Een lang ziekbed van zwijgen en wachten. Tot zover zijn huwelijk.
Over het algemeen vond hij duiven maar kutbeesten. Ze maakten teveel herrie en produceerden een ongekende lading schijt die hij elke ochtend moeizaam van de uitschuifbare bodemplaat afschraapte. Duivenschijt was tamelijk stroef en korrelig. Er was weinig verhevens aan duivenschijt. Ook aan duiven was weinig verhevens, al beweerde de evangelist anders. Juist omdat ze zoveel scheten, stonken en herrie maakten gaf de melker ze geen namen. Elke duif noemde hij simpelweg ‘hufter’. Omringd door deze kleine grijze motten, met zijn transistorradiootje in de duiventil om het koeren en de stilte tussen deze geluiden (die kwamen in golven) te doorbreken.
Verder deed de duivenmelker niet bijzonder veel. Als hij klaar was met het schoonmaken en voederen (de hele dag zeulde hij met granen en peulvruchten) ging hij in zijn duiventil zitten om wat na te denken. Zijn gedachten waren niet bepaald filosofisch van aard, maar dat was ook nergens voor nodig, vond de melker. Wat viel er immers te bereiken met filosoferen. Bovendien vond hij het hebben van een enkele hobby wel genoeg. Je kon gewoon stil zitten. Stil in de til en de tijd verging toch wel.
Hij had één kennis: Albert, maar Albert zag hij niet al te vaak omdat hij naar kaas riekend gangreen in z’n been had. Albert strompelde hierdoor wat en werd veel uitgelachen door spelende kinderen op straat. Albert was een gezellige man. Het enige wat Albert zei als hij hem zag was ‘Godverdomme, gangreen, dat geloof je toch niet! Een uitgestorven ziekte, godverdomme,’ en al te vaak porde hij dan wat aan zijn broek, zodat de droge, bruinige plekken konden ademen. Deze openingszin bezigde Albert bij elke ontmoeting; soms vragend, als een uitroep of als een mededeling in mineur.
Albert had hij niet uitgekozen, Albert was niet opgezocht, hij had hem gevonden en dat was dat.
Ook Albert had een hobby. Hij was amateur-zender en communiceerde via geïmproviseerde zendapparatuur met andere amateur-zenders door heel Europa. Al deze amateur-zenders hadden scanners waarmee ze aangesloten waren op zendapparatuur van politie-eenheden.
De verwoedde pogingen van Albert contact te leggen met, in Alberts bewoordingen, latente profeten, mislukten allemaal. Zijn apparatuur begaf het, stoorsignalen maakten de communicatie onmogelijk of Albert moest zich naar de badkamer spoeden omdat zijn been begon te lekken.
Daarom molk de duivenmelker duiven.
2. Totale verstarring- Murcof
Elke dag dat hij de duiventil instapte werd hij meer en meer chagrijnig. ‘Hufters,’ proestte hij steeds luider, ‘hufters’. Naar duiven kijken was stomvervelend. Ze aten en scheten onophoudelijk. Ze schuurden een beetje met hun vleugels over elkaar en dat was dat.
Albert was wel enthousiast, altijd. Zelfs zijn gangreenplekken konden enthousiasme bij hem opwekken.
‘Wist jij dat er onderscheid gemaakt wordt tussen “nat”en “droog” gangreen. Natte gangreen is de kwalijkste vorm, en zal ik je wat vertellen, natuurlijk heb ik verdomme nat gangreen, de kwalijkste vorm.’
Af en toe vergat Albert dat de duivenmelker alles al wist over gangreen. Zijn vrouw had nat gangreen gehad, en hun kinderen. Terwijl hij aan haar dacht was Albert alweer op een ander onderwerp overgestapt
‘(…) en daarom noem ik je mijn broeder, begrijp je! Denk jij dat het toevallig is dat we beiden bezig zijn met communicatie? Ik met m’n bakkie, jij met duiven. Ik zeg je: duiven.’
Het duurde even tot de duivenmelker door had dat Albert doelde op postduiven. Hij vertelde dat hij zich niet bezig hield met postduiven, laat staan met communicatie. Maar dat maakte Albert niet veel uit. Hij zag een verband. Wat de werkelijke reden was dat Albert bleef komen was voor de melker een raadsel. De melker zei namelijk nooit zoveel. Hij informeerde wel altijd hoe het met het gangreen van zijn enthousiaste bezoeker ging.
Toen de melker in zijn til zat, en het al geruime tijd avond was, overviel een moment van totale verstarring hem. Hij zat op zijn vaste kruk, wijdbeens met zijn armen tussen zijn benen, en plots wist hij niet meer wat te doen. Bewegen? Maar waarheen? Welke beweging en waarom? Gedachten? Maar denken waaraan en met welk een nut? De impasse zwol in hem aan tot paniek en met hevige hartkloppingen keek hij verward om zich heen. De duiven leken zijn paniek te voelen en begonnen wild te fladderen. Koerende geluiden zwollen in de melker aan tot explosies van clusterbommen en vleugelbotten en verenpennen staken in zijn ogen en neus. Hij greep en sloeg wild om zich heen en had na wat woest gemaai een afgescheurde vleugel in zijn handen. Een duif tolde wil om zijn as bleef deze til beweging volhouden op de grond. Hij stond op en bleef net zolang op de duif stampen tot er niet veel meer van over was dan wat uitgesmeerde stukken duif; een soort pluizige vleesbrij van duivenflarden.
De rust in de til keerde terug. De duiven keerden terug tot hun stokken en de melker was uit zijn impasse. Hij ging naar binnen om te roken. De avond was doormidden.
Wat Albert betreft, hij begon steeds harder te rotten. Het gangreen was opgetrokken via zijn bovenbenen naar zijn kruis en het morrelde aan zijn ballen. Hij droeg nu luiers om het wondvocht te absorberen.
Over het algemeen viel er geen zinnig woord met hem te wisselen en de melker had niet genoeg energie om Albert zijn huis uit te zetten of om een discussie aan te gaan. Het zou tot niets leiden. Soms deed de melker alsof hij sliep en wachtte dan in stilte met zijn ogen dicht tot Albert vertrokken was. Dit kon soms wel een uur duren.
Albert ging op een geheel eigen manier met het naderende einde om. Hij zocht naar een profeet. Zijn zoektocht naar de weldoener bracht hij door achter zijn zend-en ontvangstapparatuur. De profeet, aldus Albert, zou hem de weg wijzen naar de eeuwigheid maar daar voor zou hij eerst Albert de sleutel aanreiken tot de genezing van het koudvuur. Zijn profeet had hij gevonden in de persoon van een Russische handelaar in wasbakken die zich Murcof noemde.
3. ‘Niet zo’n beste wasbak’
Albert hupte in zijn luier door Melkers’ woonkamer.
‘Murcof, Murcof, de profeet heet Murcof!’
Aan zijn rare sprongetjes was te zien dat het niet meer lang zou duren. Hij had de profeet gevonden, goed, fijn voor hem, maar kon hij hem niet met rust laten?
‘Albert,’ zei de melker, ‘je moet me met rust laten. Ik ben dolblij voor je, begrijp me goed, maar verder denk ik dat je krankzinnig bent en ik wil dus dat je weggaat. Gaat heen, sterf op een rustig plekje, kruip onder de veranda voor mijn part, maar ga.’
Met een glimlach liet Albert de woorden op zich neerdalen.
‘En jou in je eigen sop laten gaarkoken zeker! Ha! Je begrijpt het niet. Murcof zal me genezen en als je lief bent, jou ook. Het evangelie volgens Murcof, je zou het eens moeten horen jongen.’
‘Je bent gek aan het worden.’
‘Gek. In jouw ogen. Maar natuurlijk; jij weet niet wat ik weet, als je het zou weten zouden ze jou ook voor gek verklaren, alleen jijzelf zou weten dat je niet gek bent. Ik neem je niets kwalijk.’
En vrolijk hopte Albert verder door de kamer.
‘Enfin, ik laat je even. Ik ga terug naar mijn transistor. Ik heb een belangrijke afspraak met Murcof; profeet en handelaar in wasbakken. De man uit Belarus.’
Albert wikkelde een doek om zijn lichaam en keek nog even achterom. Hij mompelde wat vergoelijkends naar de melker en riep tabee.
De melker besloot: wanneer het zo ver was, hij zou Albert begraven; plechtig. Hij zou een mooi plekje uit zoeken, de schep in de koude aarde zetten en netjes voor een kuil van vier meter zorgen. Wanneer de klus was geklaard zou hij denken: zo, weer iemand om te vergeten. De rest van de wereld had hem niet gekend, ik wel, even, nu nog vergeten en het was alsof Albert nooit had bestaan.
‘Hufters, hufters,’ riep de melker nu ook in zijn slaap. Het antieke eikenhouten bed waarin hij lag schudde. Hij draaide zich om, draaide zich terug, en leek eindeloos te draaien. Van een klap tegen zijn raam werd hij wakkeer. Een doffe klap, alsof er een vogel tegenaan vloog. Maar dit droomde hij en hij werd wakker in zijn droom.
Hij keek naar de stoel in de hoek van zijn kamer. Stilte, de beweging van een mouw, het knisperen van iemand die aan zijn sigaret trekt. Een donkere gestalte met een smeulend peukje op zijn lip keek terug. Waar de melker de wijsheid vandaan had wist hij niet, hij opende zijn mond, daar kwam uit: ‘Kijk eens aan, de man uit Belarus.’
‘Yep,’ kwam uit de stoel, uit een zwarte schaduw.
De man uit Belarus stond op en liep naar de wasbak die tegenover het voeteneinde van het bed hing.
‘Niet zo’n beste wasbak Melker.’
Verbaasd keek de melker. Hij voelde geen angst, hij was eerder opgetogen. Dit was tenminste iets. Er gebeurde iets.
‘Kan er mee door. Doet wat ie doen moet. Water geven, weer doorspoelen, dat soort dingen.’
‘Jij bent iemand waar mee te lullen valt,’ zei de wasbakkenhandelaar.
‘Dat valt tegen,’ zei ‘de melker, ‘ik praat niet graag. Maar voor spookverschijningen maak ik een uitzondering.’ Hierna viel een pijnlijke stilte, zoals die in alle gesprekken uiteindelijk valt. De verschijning zuchtte.
‘Kijk mij eens aan Melker, ben ik een profeet?’
‘Nee.’ Het was lang stil.
‘Daar zijn de meningen over verdeeld jongen. Maar laat ik terzake komen. Je weet waarom ik hier ben?’
De melker repliceerde wederom ontkennend.
‘In de eerste plaats omdat je een duif hebt vermoord. En ik ben geen persoon die houdt van mensen die duiven vermoorden. Eerlijk gezegd…ik haat mensen die duiven vermoorden.’ Hij pauzeerde. ‘Maar kijk ik haatdragend Melker? Nee, en weet je waarom niet, ik ben een profeet.’
Hierop begon te profeet hard te lachen. Geen bulderlach, zoals je van een alwetende god zou verwachten, maar eerder een vreemd gegniffel.
‘Zie je nou wel,’ zei de melker, ‘natuurlijk ben je dat niet. Niemand is profeet.’
‘Niet zo snel,’ zei de profeet bestraffend, ‘Laten we het eerst over je duiven hebben, wat moet daarmee?’
‘Voeren?’ probeerde de melker voorzichtig.
‘Nee, ik bedoel, wat móet daarmee. De oplossing, ik heb het over de oplossing.’
De melker zweeg. Hij wilde wel eens zien wat er zou gebeuren als hij deze spookverschijning eens zou negeren. Het was lang stil. Hij rook het leer van ‘s mans jas. De verschijning tapte met zijn vingers op de wasbak, keek de melker gemeen aan en rukte met twee handen het ding van de muur. Een oorverdovend geluid. Gruis, het geluid van gruis, gefladder, vleugels.
Alsof Hypnos met zijn vingers knipte. Het was dag. De melker had zijn gordijnen open gelaten. Stralend licht. Niets aan de hand met zijn wasbak behalve een druppelende kraan. Een erectie ook. Voor het eerst sinds tijden.
Hij stond op en keek uit het raam naar zijn til. Ze zaten er nog. Wat moet er met jullie, fluisterde hij. Wat moet er met de duiven. Hebben duiven een doel, een eindbestemming? Eten, fladderen, geluiden maken, eten, schijten, sterven. Een doel?
4. De grafzerk
Komaan melker. Het is uit met de pret. Smerige luiaard dat je bent. Tijd om te vertrekken. Weg uit je bastion. Bastion? Je bunker. Je bent weliswaar niet aan het vegeteren zoals Albert, maar dat wil niet zeggen dat je ziel geschoond blijft van enig gangreen. Alleen omdat de uiterlijke tekenen er niet zijn. Hier rot je weg. Voel, je het melker? De maden zitten al in je ziel. Een karig maaltje voor ze, dat wel.
Murcof is langs geweest in die idiote droom van je en je voelde het. Er gebeurde iets. Het was weliswaar illusoir, maar toch. Je voelde iets in beroering komen. Een beweging of een aanzet daartoe. En nu is het tijd melker. Zijn de wateren gelicht? Is het veilig voor je? Ook al is het niet veilig, wat let je de storm te doorkruisen. Je hebt niets te verliezen. Je lichaam hangt en is slap, zoals gezegd, je ziel is mager, dat vieze vlekje bewustzijn. Mocht je sterven, min plus min is plus, toch?
Dat waren ongeveer de woorden die moesten dienen als een stok om de melker de veilige haard van zijn slaapkamer uit te slaan en waarop hij zijn entree kon maken in het licht, maar de melker was er niet gerust op. Wat hem eerder was overkomen in de duiventil, de verstarring, de angst voor beweging, kwam wederom langzaam opzetten. Het lag besloten in het licht buiten zijn kamer. Het zag er hard uit; ongenaakbaar, mededogenloos. En dan daarbuiten? Wat was daarbuiten?
De melker slobberde een natte boterham naar binnen. Langzaam, als om deze handeling zo lang mogelijk te laten duren. Haast zou hem alleen maar sneller bij het licht brengen, en het licht zou hem verscheuren. Maar het moment kwam dat de boterham op was en hij geen honger meer had. Twee sigaretten later voelde hij het steken in zijn keel. Nee, de tijd om te roken was ook voorbij. Gelukkig was daar de telefoon.
‘Spreek ik met de melker?’
‘Ja…’
‘Goedemiddag, u spreekt met die en die van stichting dinges, wij zijn op zoek naar mevrouw melker, melker.’
‘….’ (stilte aan de telefoon moet niet te lang duren, dan komt het onvermijdelijke: )
‘Hallo?’
(en het even onvermijdelijke) ‘Ja, ik ben er nog. Nee, ze is er niet.’
‘Dan proberen wij het later nog eens. Prettig middag.’
Wat was dit. Zijn geweten? Een val? En wat een vuil sarcasme, die afscheidsgroet! Wat een smeerlappen. Wie was hem op het spoor. Hadden ze samen met het licht een complot tegen hem gesmeden? De melker liep terug naar zijn kamer en ging zijn handen wassen. Murcof, handelaar in wasbakken. Begon hij het hele plaatje te zien? Misschien moest hij de naam omdraaien: ‘Focrum’, nee, dat gaf ook geen uitsluitsel. ‘Reklem’ of ‘Trebla’ ook al niet. Een sigaret dan nog maar. Weer de steken in zijn keel. Handen wassen. Nee, schoner kon hij zijn handen niet krijgen.
En daar lag de til weer op hem te wachten. Voeren. Maar natuurlijk. Door het licht heen. Hij trok een zak peulvruchten open en overvoerde al die arme schepselen gods. Maar hij zag het en het was goed. De beesten moesten aansterken. Ze hadden een lange weg te gaan. Of niet. Hij keek naar de bodem van de til.
‘Hanny? Lieve Hannelore, ben je daar?’
Albert, die arme Albert. Hij moest nu zo ongeveer dood zijn. Wat een lijden, die man…ach. Als de melker iets vrolijks kon doen voor de wereld was het toch wel Albert uit zijn lijden verlossen. Hem doodslaan, met zijn dikke melkersvuisten inslaan op die broze schedel van hem? Of misschien met iets anders zodat maar een enkele klap nodig was. Hem naar Murcof sturen door zo’n antieke radio op te tillen en deze kapot te slaan op Alberts hoofd, of andersom, Alberts hoofd kapot, in de radio. Schedelbreuk en elektrocutie. Zeg maar hallo tegen je profeet.
5. Melkers dag
Albert.
Hij was weliswaar krankzinnig, maar het was toch fijn om hem bij te hebben. Dat waren ongeveer melker’s gedachten toen hij aankwam bij de deur van het miezerige huurhuisje, die overigens openstond. Eenmaal binnen wankelde hij van de kaaslucht die zijn hersenen bereikte. Een klap in zijn gezicht. Onmiddellijk stak hij een shaggie op.
Alberts woonruimte was een grote rotzooi. Overal lagen kapotte radio’s. Transistors, opnameapparatuur, bakkies waren opgestapeld in zo ongeveer alle hoeken van de kamer en antennes doorkliefden de ruimte. Op de vloer lag een onontwarbare kluwen van elektriciteitsdraden, waar de melker behoedzaam overheen stapte. In de linkerhoek van de grotendeels verduisterde kamer zag hij Albert. Albert was verworden tot een druipende massa zwerend vlees. Hij had een doek om zich heengeslagen waardoorheen plekken opgedroogd pus te zien waren. Vervuild lag Albert op de vloer, worstelend met iets dat op een ouderwetse microfoon leek.
‘Ha!’ riep hij opgewekt. ‘Je gelooft het nooit maar ik krijg die verdomde doek niet van me af! Help me eens, dat kloteding zit vastgekoekt.’ Maar de melker bleef roerloos staan.
‘Of trouwens, nu je er toch bent, kun je gelijk even een glas water inschenken? Ik heb al drie dagen niet gedronken zie je, m’n benen doen het niet meer.’
De melker keek om zich heen. Optrekkende vochtplekken en kruimelige, donkere aanslag trokken een mozaïek over de kamermuren. Het leven leek bezig Albert te consumeren. De radio in zijn kamer kraste; een lang gerekte witte ruis, af en toe onderbroken door snerpende, elektrische geluiden.
Water. Dacht Albert dan werkelijk dat hij een plantje was dat weer zou gaan bloeien? Waarom had hij in godsnaam water nodig.
‘Misschien is het tijd om wat reguliere medische zorg voor je te regelen,’ probeerde de melker, die zich al bewust was van de tevergeefsheid van die opmerking voor Albert hem verwerkt had.
‘Medische zorg m’n reet. Ik heb Murcof en bovendien; de ziekenhuizen liggen vol met gangreenpatiënten. Nee jongen, het ziekenhuis kan mij niet helpen. Ik heb trouwens het vermoeden dat ik binnen een half uur wijlen ben. Wil je hier blijven? Waar blijft dat water?’
Albert zocht tussen de berg afval het glas uit met de minste aanslag en liet het vollopen. Maar er kwam geen water.
‘Afgesloten? Dacht ik het niet! ’riep de stervende. Ondanks dat zijn lichaam het duidelijk had opgegeven, bewoog hij zijn hoofd nog energiek rond op zijn romp. Ook zijn stem was onaangedaan. De radio bleef krassen. De melker zocht een plek uit om te zitten en bezag Albert.
‘Hoe is het met Murcof, heb je nog contact met hem?’
‘Jazeker,’ ditmaal kwam het er wat moeizamer uit, ‘De man uit Belarus heeft me aangeraden gewoon dood te gaan, dat dat het beste is. De enige goede keus die ik ooit zal maken.’ De melker lachte plotseling luid, voor het eerst in weken.
‘Goede keus? Wat bazel je? Je hebt geen keus Albert, of wilde je zelfmoord plegen?’
‘Nee.’ Albert bewoog wat onrustig en de melker hoorde de luier, die onderhand versteend moest zijn, zwaar kraken. ‘Maar toch, ik besluit dat doodgaan het beste is, op aanraden van Murcof.’ De radio kraste even luid. Toen sloot Albert zijn ogen.
De melker werd onrustig. ‘Je lult, je lult maar wat. Murcof is een idioot, een handelaar in wasbakken, een charlatan! Jij bent een idioot!’
Maar de idioot reageerde niet. De idioot was dood.
*
De kern is in beweging te blijven, zei de melker tegen zichzelf. Bewegen, je verroeren, zoeken ook al was vinden een illusie. Allesbehalve wachten op niets dan verveling en dood. Hij dacht aan de les van de predikant, alhoewel hij niet in predikers geloofde stond het hem nu vrij alles te proberen. Alles beter dan niets. En het was niet alleen de predikant geweest, ook zijn droom had hem gevraagd: en wat nu met de duiven? Een vraag die nu van toepassing was, want hij moest weg, hij zou zijn huis verlaten, weg van de til die, wanneer de duiven zouden zijn vertrokken, toch niets anders was dan een grafzerk. Zorgen voor beweging, als hij zijn ledematen in beweging zou houden, was hij de dood misschien te snel af, en ook haar trouwste dienaar: het koudvuur. Dus lopen, er zat niets anders op dan lopen; eerst naar huis om wat geld te halen en de duiven te verlossen van hun zerk. Dan… alles was beter dan zijn huis.
Het was een stralende dag, maar hoe verraderlijk zijn de symbolen? Stralend weer betekende niets. Het betekende dat het wat lichter was dan normaal, waarschijnlijk ook wat warmer maar daarmee was ook alles gezegd.
De melker liep naar boven, haalde wat geld uit een oude portefeuille die als spaarpot diende, het was niet veel, maar genoeg om een maand van te eten. Hierna waste hij zijn handen, keek in de spiegel en zag niet veel bijzonders.
De til: sommige duiven aten wat, sommige sliepen leken te slapen of anderzijds in verstarring te verkeren. Kleine zwarte kraaloogjes keken wat heen en weer. Er lag stront, veel stront. De til ging open, de melker liep naar binnen.
‘Wees eenvoudig als duiven,’ had de lispelende evangelist gezegd en hij vervolgde: ‘Noach liet de duif wederom uit de ark. En de duif kwam tot hem tegen den avondtijd; en ziet, een afgebroken olijfblad was in haar bek; zo merkte Noach, dat de wateren van boven de aarde gelicht waren. Toen vertoefde hij nog zeven andere dagen; en hij liet de duif uit; maar zij keerde niet meer weder tot hem.’
De melker keek vol verbazing op naar zijn beesten en zag slechts pluis. Voor zover hij wist hadden zijn duiven nog nooit met een olijfblad gevlogen, noch waren zij de boodschappers van God. Ze waren simpelweg stomvervelend. Zouden zij hem kunnen vertellen of het water van de zondvloed gezakt was?
De melker stapte de til uit, en rukte het gaas aan de voorzijde er wild vanaf. De houten balken die overbleven waren zo rot dat hij ze met gemak kapot kon trappen. Toen bewoog hij zich weer de til in, ging op een ondergescheten trapje staan en begon wild op het golfplatendak te beuken. Schroeven en spijkers kwamen los uit het rotte hout; eenmaal los schoof hij met een simpele armbeweging het dak van de til. Alleen de achterzijde stond nog overeind, waaraan zich de stokken bevonden en de voederbak. De duiven verroerden zich niet.
‘Nou? Komt er nog wat van? Vlieg hufters, vlieg!’ blafte de melker in aanzwellende wanhoop. Maar geen van de beesten leek erg veel zin te hebben het luchtruim te verkiezen boven kun vertrouwde stokken. Briesend van woede greep hij een willekeurige duif en smeet hem zo hard hij kon de lucht in. Het beest leek even te willen vliegen, maar verder dan wat triest vleugelgespartel kwam hij niet; toen de zwaartekracht het beest de keus gaf te vliegen of neer te storten, koos de duif voor het laatste en belandde morsdood voor Melker’s voeten. De wateren waren klaarblijkelijk niet gelicht.
Simon Sensilube, Belarus, December 2005

[...] Extragratis: De complete Simon Sensilube ligt nu in uw kiosk! [...]
[...] gezaghebbende weblogger Louloene is ook weer terug. Godzijdank. Misantropisch nihilisme klinkt uitstekend. In de [...]
[...] en literaire leeuw Louloene. Na zijn bestsellertijdperk op het internet (van zijn online roman Simon Sensilube zijn zeker vijf keer meer exemplaren gedwonload dan er exemplaren van Kluun’s Komt een vrouw bij [...]